Een veilig en plezierig museumbezoek voor iedereen
Home

Onthullingen over de relatie tussen het Leids laken en slavernij

De plantages van lakenhandelaar Daniel van Eijs

Onderzoek van Museum De Lakenhal naar de brieven tussen lakenhandelaar Daniel van Eijs en zijn assistent laat zien hoe een Leidse ondernemer in de achttiende eeuw dacht over slavernij. Zijn verhaal toont hoe direct het slavernijverleden en de Leidse geschiedenis met elkaar verbonden zijn. Sommigen leden vreselijk onder dit systeem, terwijl anderen ervan profiteerden. Dit is het verhaal van Daniel van Eijs en de mensen die op de plantages werkten.

Nieuw onderzoek

Deze tekst is gebaseerd op onderzoek van Sjoerd Ramackers, derdejaars bachelorstudent geschiedenis, voor de Universiteit Leiden en Museum De Lakenhal. Ramackers heeft voor dit onderzoek meer dan 1300 brieven uit de gedigitaliseerde archieven van Erfgoed Leiden en Omstreken gelezen en getranscribeerd.

De ineenstorting van de Leidse textielindustrie in de achttiende eeuw leidde tot investeringen in de plantage-economie, blijkt uit dit onderzoek. Met Leids geld, verkregen uit de lakenhandel, zijn aan de andere kant van de wereld dus mensen gekocht, gemarteld en ontmenselijkt. Dit verhaal vormt een extra bladzijde in de geschiedenis van de Leidse lakenindustrie in de achttiende eeuw.

Martinus de la Court (toegeschreven aan), Portret van Daniel van Eijs (1709). Collectie Meermansburghof, Leiden.

Over een andere boeg

Daniel van Eijs (1688-1739) was een Leidse lakenhandelaar en -fabrikant. Leids Laken was tot de zeventiende eeuw een grote bron van inkomsten voor ververs, handelaren en fabrikanten van de luxe stof. Door de opkomst van goedkopere stoffen nam de vraag rond 1725 snel af. Tot nu toe werd gedacht dat veel handelaren op dit moment stopten met werken en begonnen met investeren of beleggen. Het verhaal van Daniel van Eijs schetst voor het eerst een ander beeld.

De Leidse lakenhandelaar had niet de luxe om te gaan rentenieren. Daarom besloot hij het over een andere boeg te gooien. Samen met drie familieleden kocht hij in 1735 vier plantages in Berbice, een Nederlandse kolonie aan de noordkust van Zuid-Amerika.

Berbice lag in het huidige Guyana, naast Suriname. In de zeventiende en achttiende eeuw was dit gebied een Nederlandse kolonie. Deze kolonie was onderdeel van Nederlands-Guiana en lag aan de Rio de Berbice. Het was een van de oudste kolonies van de Nederlandse Republiek. Sinds 1720 was deze kolonie in handen van de Amsterdamse Sociëteit van Berbice. Deze gaf in 1735 de vergunning om de vier plantages van Leidse lakenhandelaar Daniel van Eijs te stichten.

Leidse wortels

De plantages in Berbice waren zo groot dat de Leidse binnenstad er meermaals in paste. Ze strekten zich uit over een land van moeras en zandbergen, in rechte lijnen door het regenwoud. De nieuwe eigenaren noemden de plantages Klein Poelgeest en Groot Poelgeest. De andere twee stukken grond heetten Abigaël en Magdalena. Ze waren vernoemd naar belangrijke vrouwen in Van Eijs’ leven. Zowel de moeder als de dochter van Daniel van Eijs heetten Magdalena. De plantage Abigaël is vernoemd naar de vrouw van Johan Nicolaas van Eijs, een van de broers met wie Daniel de stukken grond kocht.

De namen Klein en Groot Poelgeest hebben hoogstwaarschijnlijk ook een Leidse herkomst. De naam Klein Poelgeest is afkomstig van het kasteel van kapitein Dirk Roos bij Koudekerk aan den Rijn, de zwager van Daniel en mede-eigenaar van de plantages. Mogelijk was er ook een verband met het Leidse landgoed Oud Poelgeest, waar familielid Herman Boerhaave woonde. Boerhaave was naast arts, rector magnificus en scheikundige ook botanicus. Via zijn aangehuwde neef Daniel van Eijs schreef hij twee briefjes naar de plantages. Hierin vroeg hij om zaden en vruchten om te planten op zijn landgoed Oud-Poelgeest.

Jan Daniël Knapp, Naauekeurige Plattegrond van den Staat en den Loop van Rio de Berbice (1742). Collectie Rijkmuseum Amsterdam.

Leven op de plantage

Gordian Teller, al tien jaar de rechterhand van Daniel van Eijs in de lakenfabricage in Leiden, werd naar Berbice gestuurd om de dagelijkse leiding op zich te nemen. Hij zette op 4 mei 1735 voet aan wal, na een overtocht per schip die twee maanden duurde. Samen met Gillis Mentz, vermoedelijk een neef van Daniel, en Lourens van Weeninge, een andere bekende uit Nederland, ging hij meteen op zoek naar geschikt land om de plantages op te stichten. Dat vonden ze diep landinwaarts, aan de rivier de Berbice. Mentz werd directeur van Klein Poelgeest, Teller van Groot Poelgeest.

Briefspoor

Van de brieven die Teller en Mentz naar Van Eijs stuurden, zijn er achttien bewaard gebleven. De brieven geven een zeldzaam inkijkje in het opzetten van een slavenplantage. De twee mannen schrijven over hun angst voor slangen en tijgers en klagen over het gebrek aan wijn en bier. Ook corresponderen ze over de werkzaamheden. In eerste instantie verrichten ze die grotendeels zelf: samen met enkele tot slaaf gemaakten kappen de mannen de oude bomen en plaatsen er tabak, cacao, katoen en koffie voor terug. Dit zware werk voeren ze uit onder de hete zon, waarbij ze worden geplaagd door insecten. Of, zoals ze schreven in de achttiende eeuw, waarbij ‘de klijne vlieg soo elendig bijdaag, dat uijt de oog haast niet sien kunnen’. In hun brieven staat dat Mentz, Teller en Van Weeninge ‘als een Neger moeten helpe’. Het toont de ongelijkheid van die tijd: de drie deden werk dat, volgens de toen heersende opvattingen, alleen een zwart persoon zou moeten uitvoeren.

Ontbrekende verhalen

De plantages moesten, eenmaal uitgelegd, goed worden onderhouden. Van 1735 tot en met 1739 leefden minstens 126 tot slaaf gemaakten op deze plantages. Van hen weten we helaas maar weinig: zij schreven hun verhalen niet op of deze zijn niet bewaard gebleven. Wel weten we dat tot slaaf gemaakten vaak uit Afrika kwamen, hoewel het soms ook om inheemse mensen ging. De vaste prijs per persoon in Berbice in die tijd was 275 gulden. Behalve voor kinderen, zo blijkt uit deze brief van Teller over de aankoop van het jongetje Majalla.

Brief van Gordian Teller aan Daniel van Eijs, 28 januari 1736, Nationaal Archief.

Slavernij was meer dan dwangarbeid: het hele lichaam van een tot slaaf gemaakte was een productiemiddel voor de eigenaar. In de beginfase van de plantages, toen Teller weinig mensen tot zijn beschikking had, besloot hij vier mannen en vier vrouwen te huwen. Teller vernoemde een stel naar de plantage-eigenaren: Daniel van Eijs en zijn vrouw Sara Dozij. De hoop was dat zij kinderen zouden krijgen, die later ook voor hem konden werken.

Brief van Gordian Teller aan Daniel van Eijs, 3 mei 1736, Erfgoed Leiden en Omstreken.

Woorden uit Leiden

Vanuit zijn statige huis aan de Oude Singel schreef Daniel van Eijs over de tot slaaf gemaakten. Vaak maakte hij het onderscheid tussen ‘Christenen en de slaven’. Eén keer schreef hij zelfs over ‘mensche en slaven’. Die laatsten waren in de ogen van Daniel simpelweg een productiemiddel. Ze moesten met ‘sachtheid’ geregeerd worden, omdat ze dan meer zouden opbrengen.

Brief van Daniel van Eijs aan Gilles Mentz, 20 juni 1737, Erfgoed Leiden en Omstreken.

Sporen van slavernij in de lakenhandel

De lakenindustrie zelf was ook verbonden met slavernij. Bij het verven van de lakens werden kleurstoffen zoals indigo en cochenille gebruikt. Deze planten werden verbouwd op plantages in de Oost en West. Daarna kwamen de lakens terecht in de schepen van de Nederlandse handelsonderneming de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Zij gebruikten de lakens als geschenk aan lokale heersers. Uit recent onderzoek is gebleken dat de West-Indische Compagnie (WIC) in 1714 en 1715 vaak ‘betaalde’ met laken. De helft van de slaafgemaakten die zij in die jaren kochten, zijn geruild tegen lakens. Speciaal voor de West-Afrikaanse markt maakten Leidenaren ‘Annabas’, een imitatie van een Afrikaanse stof.

Dit schilderij is een allegorie, een symbolische weergave, van de rijkdom die ontstond door de lakenhandel. De vrouw in het midden symboliseert de stad Leiden. Zij wordt ondersteund door een zwarte jongen, die het continent Afrika symboliseert. Zijn aanwezigheid toont aan dat men zich toen al bewust was van het belang van de handel in West-Afrika voor de economie.

De tekst loopt door onder de afbeelding.

Abraham Lambertsz. van den Tempel, De Leidse Stedenmaagd ontvangt de Neringhe (1651). Collectie Museum De Lakenhal.

In de huid gebrand

De tot slaaf gemaakten op de plantages hebben waarschijnlijk zelf niet veel van deze ‘sachtheid’ gemerkt. De hardhandige behandeling begon al bij hun aankomst in de kolonie, waar zij de letters CB (Colonie Berbice) in hun huid gebrand kregen.

Ook op de plantages van Van Eijs was het zwaar. Zo verklaarde Pieramus, een tot slaaf gemaakte man, van de plantage Klein Poelgeest te zijn weggelopen vanwege de slechte leefomstandigheden. Nadat Pieramus zelf vis kocht van de inheemse bevolking, omdat Mentz hem geen eten gaf, besloot Mentz de man vast te binden en te slaan.

Verslag van het proces tegen Pieramus door de Gouverneur en Raad van Politie, 25 mei 1745, Nationaal Archief.

De gouverneur, de hoogste bestuurder van de kolonie, stelde ‘overtuijgt te zijn van de barbaarse behandelingh van Gilles Mentz over zijn slaven’. Dit zorgde ervoor dat Pieramus de doodstraf door radbraking bespaard bleef. Dat is een gruwelijke marteldood waarbij iemand eerst op een rad wordt gebonden, waarna zijn armen en benen worden gebroken. Als je geluk had, kreeg je uiteindelijk een genadeklap op de borst. In plaats van die straf besloot het bestuur om ‘slechts’ de oren van Pieramus af te hakken en hem aan Engelse handelaren te verkopen.

Het einde van Gilles Mentz

Met Gilles Mentz zelf liep het ook niet goed af. Hij verliet uiteindelijk de plantages van de familie Van Eijs en stichtte zijn eigen plantage, Boslust. Daar werd hij eind maart 1746 vermoord door drie mannen: Cacao, Abraham en Hans. De drie waren van een andere plantage gevlucht en op zoek naar eten. Cacao zou, volgens Abraham en Hans, het plan hebben bedacht. Ze zouden eerst hard roepen, waarop Mentz naar buiten zou komen. Dan zouden ze hem om eten vragen. Als hij het niet gaf, zouden ze hem doodsteken.

Zo geschiedde. Abraham zou, aldus Hans, een mes zo diep in de buik van Mentz hebben gestoken dat het niet er meer uitkwam. Cacao zou de keel hebben doorgestoken. Uiteindelijk kregen alle drie de mannen de doodstraf. Cacao kreeg de ergste variant: hij werd veroordeeld tot levende verbranding. Abraham werd geradbraakt, waarna zijn hoofd eraf werd gehakt. Hans werd, na al zijn bekentenissen, ‘slechts’ geradbraakt.